| Leerresultaten | I. Algemene competenties Binnen de opleiding leraar lager onderwijs trachten wij een leerkracht op te leiden die beschikt over een kritische denk- en redeneervaardigheid die hem/haar toelaat zelfstandig informatie te verwerven en verwerken . Deze student kan een eigen visie op onderwijs formuleren en daarvan de consequenties in schatten, ook op het eigen professioneel handelen. De student kan zelfstandig of in groep projecten uitwerken voor de beroepspraktijk. Hij kan naar aanleiding van een concrete opdracht van een werkgever in groep doelstellingen formuleren , een planning of een draaiboek opstellen en in samenwerking met anderen uitvoering geven aan het vooropgestelde doel. De student kan naar aanleiding van problemen met nieuwe ideeën en oplossingen komen. De student kan op een heldere wijze zijn ideeën communiceren. De student reflecteert voordurend op zijn eigen functioneren en op het functioneren van een school en is bereid om te leren en mee te groeien met veranderingen. II. Algemene beroepsgerichte competenties De afgestudeerde kan teamgericht en oplossingsgericht werken. Daarbij kan hij/zij zelfstandig complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk definiëren en analyseren . De afgestudeerde kan in praktijksituaties handelen vanuit de codes van sociale en ethische normen (diversiteit, interculturaliteit, rechtvaardigheid en pluralisme) en regels van gangbare (beroeps)deontologie. De student kan daarbij op verantwoordelijke wijze omgaan met praktijksituaties, medewerkers, werkgever in relatie tot de ruime maatschappelijk werkomgeving III Beroepsgerichte competenties Binnen de opleiding lager onderwijs leiden we een leerkracht op die gericht is op het ontwikkelen gedifferentieerde krachtige leeromgevingen waarin alle facetten van de persoonlijkheid van alle kinderen aanbod komen . De student kan de eigenheid van het individuele kind en van de sociale en culturele groepen bespreekbaar maken en hanteren met het oog op zelfontplooiing en integratie van de kinderen. De student kan het kind stimuleren tot mondigheid , zelfstandigheid , eigen initiatief en verantwoordelijkheid en participatie. De student beheerst de elementaire basisinhouden van alle leergebieden die in de lagere school worden onderwezen, met uitzondering van godsdienst en zedenleer, en dit op een dusdanige manier dat hij blijvend op zoek gaat naar nieuwe inzichten en vaardigheden op het niveau van het leergebied. De student onderkent dus de leerlijnen voor de verschillende leergebieden doorheen de lagere school De student kan ook zelfstandig thema‘s en projecten realiseren en beoordelen ( horizontale verbanden) . Daarbij is hij/zij in staat tot intercultureel handelen, tot het voeren van interculturele dialogen. Gezien het Brusselse werkveld waarin de student zal functioneren is het belangrijk dat de afgestudeerde kan functioneren in een meertalige omgeving. Daar de student oog heeft voor alle leerlingen kan hij/zij signalen van leerproblemen en probleemgedrag herkennen, toetsen aan de ervaring van anderen en met hulp van collega‘s de hulpvraag van kinderen expliciteren .Onder begeleiding en in team kan de leraar op een planmatige wijze hulp bieden bij deze problemen, indien nodig samen met externen. De student kan een innoverende rol spelen binnen het onderwijslandschap. Hij integreert deze vernieuwingen in zijn didactische praktijk. Hij kan steeds het eigen handelen bevragen en bijsturen. De student kan in dialoog treden met ouders over opvoeding en onderwijs. Hij gaat daarbij steeds rekening met de diversiteit van sociale en culturele realiteiten van de ouders . Hij kent organisaties en instellingen die binnen Brussel actief met onderwijs bezig zijn en kan beroep doen op hun expertise. De student gebruikt steeds het Standaardnederlands en beheerst de taalcompetenties voor leraren. |
|---|